Deprecated: Function split() is deprecated in /home/pbrf218564/domains/newkindofpolicy.nl/public_html/config.inc.php on line 20
New Kind of Policy - Adviseur voor functionele beleidsprocessen in de 21e eeuw

Visieontwikkeling op toekomstig bestuur voor het College van GS van Gelderland in 2000.

Op 25 oktober 2000 bracht ik in overleg met collega Hans Esmeijer het discussiestuk " De Visie" in het College van GS van Gelderland dat op basis van een collegeakkoord werkte met de wervende titel "Met Visie en daadkracht vertrouwen verdienen".

Kernpunten waren de behoefte aan een:
- Korte kernachtig toekomstvisie voor Gelderland opstellen die aansprekend is voor burgers en waaromheen zij zich kunnen scharen.
- Visie die strategisch te operationaliseren is en op alle beleidsvelden concreet uitvoerbaar.

Uitgangspunt voor de visie was "modernisering van het huis van Thorbecke" en afspraak was dat we ons via bestuurlijke en politieke kanalen daarvoor zouden inzetten.

De informatie - en communicatietechnologie (ICT) stond zowel als inhoudelijk beleidsaspect en als verbindend element centraal bij het realiseren van de visie.




HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Visie
daadkracht De visie
en vertrouwen.
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH


Kernpunten van de inzet van de opstellers bij de discussie

- Wij willen een korte, kernachtig toekomstvisie voor Gelderland opstellen die aansprekend is voor burgers en waaromheen zij zich kunnen scharen.
- Wij willen een visie die strategisch te operationaliseren is en op alle beleidsvelden concreet uitvoerbaar.
- Wij nemen als bestuurlijk uitgangspunt voor onze visie de noodzaak om het huis van Thorbecke te moderniseren en zullen ons via bestuurlijke en politieke kanalen daarvoor inzetten.
- Wij stellen de informatie- en communicatietechnologie (ICT) als inhoudelijk beleidsaspect centraal en hanteren het als verbindend element bij al het werk dat gedaan gaat worden om onze visie te verwezenlijken.





Aan de leden van het college van GS

Aanleiding.
Ons college is met het collegeprogramma "Visie en daadkracht verdienen vertrouwen",
ruim anderhalf jaar onderweg in de huidige bestuursperiode.
Veel is in gang gezet, meer nog ligt te wachten.
Veel nieuwe ontwikkelingen dienen zich aan, ontwikkelingen die niet eenduidig in dezelfde richting wijzen, vaak haaks op elkaar staan.
Wij gaan uit van de veronderstelling dat het laatste bestuursjaar van ons college niet het meest geschikte jaar is om nieuwe zaken principieel aan te pakken. Kijken wij dan naar de nu nog beschikbare tijd, dan zien wij dat voor het bereiken van het bestuurlijke "point of no return" van ons college nog ongeveer anderhalf jaar rest.
Anderhalf jaar om wat aangepakt is te sturen, wat nieuw zich aandient te richten.

Te sturen waarnaar, te richten waarop. Dat is het kernpunt van deze notitie.

Als opstellers van deze notitie hebben wij beiden het gevoel dat ondanks de veelheid aan actie en de grote inzet van ons allen, het ons ontbreekt aan een bindende visie. Daaronder verstaan wij een sterk idee over de toekomst van Gelderland. Een idee waaromheen wij de bevolking kunnen mobiliseren. Een idee dat aansprekend is voor individuele burgers.
Een idee ook waarmee wij zeggen wie wij zijn, waar wij voor staan, waar wij naar toe willen, wat wij daarvoor nodig hebben.
Gedaan wordt er genoeg, aan actie geen gebrek. Toch is er nu bij ons dat gevoel dat er een dwingende noodzaak is om tot visieontwikkeling te komen.
Wij noemen wat overwegingen.


De noodzaak
Wij zijn met vele grote, ingrijpende en ook kostbare zaken bezig.
Bijvoorbeeld het Gelders grote steden beleid, het plattelandontwikkelingsbeleid, het beleid tot versterking van de infrastructuur, ruimte voor de rivieren en het regiocontract Oost-Nederland.
- De oplossingen van gesignaleerde problemen worden aangedragen en niet meer uitgedrukt in miljoenen of tientallen miljoenen, maar in miljarden guldens.
Dat is heel bijzonder bij een jaarbegroting die nog geen 900 miljoen bedraagt.
Wij willen daarvoor eigen middelen, structuurfondsen, ICES-gelden en vooral Nuon-gelden inzetten. De voorstellen daartoe zijn er al te over. Wij miskennen daarbij het gevaar dat het Rijk zal pogen om, met name de Nuongelden, af te romen door te minderen op b.v. hun doeluitkeringen die voor ruim 40% onze jaarlijkse inkomsten vormen.

- Wij nemen waar dat er een vierde bestuurslaag is ontstaan die in Brussel zetelt en zich op vele beleidsterreinen richt op het regionale niveau, de provincies dus.
Gelijktijdig nemen wij waar dat in Den Haag de discussie over opheffing van de provincies doorsuddert. Een discussie over rol en positie van de provincies staat weer in de begroting als beleidsvoornemen voor 2001.
In de Kamer sprak recent de minister van BZK over de versterking van de provincies door deze bestuurlijk te organiseren op de schaal van een landsdeel als"trekken aan een dood paard".
Maar wel hebben de departementen alle al enkele jaren geleden hun ambtelijke organisaties op de schaalgrootte van landsdelen gevormd. Dit omdat op die schaal politie/brandweer/ambulance/hulpverlenings/vervoers- en ziekenhuisregio's makkelijker te coƶrdineren zijn.


- Het Rijk legt de provincies vormen van dualisme op en verkleint ongevraagd PS, terwijl in Den Haag een steeds sterkere oriƫntatie op het monisme valt te bespeuren door gedetailleerde regeer-akkoorden die de Kamer binden. Daarbij wordt heel monistisch steeds sterker de rol benadrukt van het kabinet als besluitvormend (collegiaal) orgaan, waar dat staatsrechtelijk uitgesloten is.

- Wij hadden nog niet zolang geleden, vergeleken met 150 andere Europese regio's, de beste vestigingsfactoren binnen onze provincie. Nu staat in de kranten dat wij achterblijven als provincie bij het aantrekken van binnen- en buitenlandse investeerders.

- Onze Staten voeren interessante trajecten uit als Staten Interactief, en vorig jaar Staten- ICT, waarbij wij allen zeggen dat de burgers centraal staan en de Staten met de rug naar het Provinciehuis. Het vervolg op StatenInteractief is gemaakt met richten op de jeugd, intercultureel beleid en sociaal beleid op het platteland.
Maar in de commissie Beleidsevaluatie rijst toch nog de vraag of bij onderzoeksopdrachten voor beleidsonderzoeken de burger wel als doelgroep gezien moet worden en de commissie AZ is nodig om dat te bevestigen.

- Onder leiding van de griffier is de ambtelijke dienst een organisatie ontwikkelingstraject ingegaan, omdat ook daar het gevoel heerst dat in de relaties met de wereld om ons, de klok echt op vijf voor twaalf staat.
Wij moeten als dagelijks bestuur ook in dat ambtelijke proces uiteindelijk sturend zijn, politiek en bestuurlijk samenhangend en richtinggevend optreden. Daarvoor hebben wij een aansprekende visie op de toekomst nodig.

- Bij onze beleidsvorming werken wij overwegend met de instellingen, instituties en organisaties van het maatschappelijk middenveld.
Maar voor onze democratische legitimatie hebben wij de individuele burger nodig.
Die burger kennen wij nauwelijks en hij/zij ons al helemaal niet.
Maar op het kennen van de burger, wat zich bij verkiezingen weerspiegeld in de opkomstpercentages, is wel het voortbestaan van de provincie gebaseerd.
En wat veel zwaarder nog weegt, de legitimiteit van onszelf, ons handelen als provinciaal bestuur, is onverbrekelijk verbonden aan die individuele burger, aan zijn bereidheid om een stem uit te brengen.

Daarom achten wij het van primair belang dat wij, bij alles wat wij willen bereiken, de burger centraal stellen. Wij moeten bij alles de burger aan kunnen spreken met een sterk idee, een visie op onze toekomst. Een idee waaromheen burgers zich kunnen en willen groeperen.

De keerzijde van de voorgestelde benadering is dat als wij daarin niet slagen, wij binnen de periode van twee verkiezingen de weg moeten gaan die de gedeputeerde Van Geel uit Brabant vorig jaar al wees:
Opheffingsuitverkoop gevolgd door een onvergetelijk afscheidsfeest en overdracht aan gemeenten en departementen van al wat ons nu bezig houdt.
Als wij geen aantoonbare maatschappelijke functie vervullen in de ogen van onze burgers dan is dat ook de enig juiste weg.

Het is onze overtuiging dat wij die maatschappelijke functie van ons bestuur naar de toekomst toe kunnen waarmaken, mits wij nu bijsturen.

In welke richting bijsturen?
Onze voorzitter sprak naar aanleiding van recente spanningen rondom de besluitvorming in het college publiekelijk dat het een gezonde zaak is als er spanningen zijn.
Hij heeft gelijk. Want daar waar wat te kiezen is ontstaan spanningen, als dat wat gekozen moet worden de moeite waard is.
Analyseren wij de bedoelde spanningen dan zijn de onderwerpen verschillend, heel wezenlijk en alle de moeite waard.
Maar Ć©Ć©n ding hebben ze alle gemeen: het winnen van zand, het verstrekken van water of het privatiseren van elektriciteit betreft steeds het kiezen over en het oplossen van problemen die wortelen in het verleden. Met het ontwikkelen van een visie zoeken wij een worteling in de toekomst. Want daar liggen de doelen die wij nastreven en waarop wij nu sturen.
Die doelen moeten in onderlinge samenhang gebracht worden, moeten een grootste gemene deler kennen, een linking pin hebben.
Die linking pin in al ons handelen is de burger in Gelderland.
Dat is onze overtuiging en de kern van onze inzet bij de discussie.

De burger centraal
Alles wat wij doen moet gericht worden op, geijkt worden aan, de individuele burger. Succesvolle bedrijven doen dat ook met hun klanten.
Wij spiegelen ons immers graag aan het bedrijfsleven en hebben hun terminologie van producten, klanten en contracten breed overgenomen.
Wat wij minder breed over hebben genomen is hun kennis, ervaring en werkwijze van dat deel van het bedrijfsmanagement dat marketing heet.
Het bedrijfsleven heeft via de marketing succesvol ingespeeld op dezelfde tijdgeest als die waarmee wij als overheid ook te maken hebben.
De tijdgeest van individualiteit, diversiteit en veeleisendheid met als wezenlijk kenmerk daarbij een immense versnelling in tijd. Die versnelling heeft tot een enorme vraagversnelling geleid.
Excellerende bedrijven bogen hun bedrijfsbeleid om van een "push-werking" naar een "pull-werking". De consument bepaalt bij hen zelf wat hij in hun winkels vinden wilt.
De klant bepaalt het aanbod.
Wij zoeken incidenteel ook in die richting en noemen dat vraag gestuurd beleid maken.
Maar wat wij te weinig hebben gezocht en wat wij nauwelijks kennen of toepassen is de filosofie die aan die benadering ten grondslag ligt.
Kort gezegd komt het neer op het volgende:

De wereld om ons heen verandert snel en continu, maar wat niet verandert zijn menselijke emotionele behoeften.

En wij willen bij het ontwikkelen van een nieuwe visie voor het eerst die emotionele behoeften centraal stellen.
Niet onze eigen, in de zeventiger en tachtiger jaren, ideologisch gekleurde beelden van een toekomstige samenleving. Niet onze oplossingen voor problemen in ons probleem gestuurd handelen en oplossingsgericht beleid. Dat is en blijft "pushwerking".
Om als overheid, net als excellerende bedrijven, ook naar de "pullwerking" in ons handelen te gaan moeten wij een andere insteek kiezen.
Kiezen dus voor hetzelfde ijkpunt, de emotionele behoeften van de individuele burger. Daarover moeten wij nieuwe gedachten ontwikkelen. Gedachten over taak en plaats van de overheid, onderlinge taakverdeling tussen overheden en dat wat overheid en burgers kan binden.

Emotionele behoeften zijn te verbijzonderen naar behoeften aan veiligheid, geborgenheid binnen een groep, aan worteling binnen een cultuurpatroon, aan gebondenheid aan een gebied, aan zorg voor eigen gezondheid, aan zekerheid bij ouderdom.
Bekeken vanuit die invalshoek hebben wij tegenwoordig niet veel te bieden aan onze burgers.
Met wegen en spoorlijnen interveniƫren wij in hun rust, met vergunningen die niet gehandhaafd worden en ambtenaren die zeggen dat zij tijd noch capaciteit voor hen hebben, tasten wij hun gevoel van veiligheid aan en bedreigen soms hun gezondheid. Met de opheffing van kleine gemeenten verstoren wij hun gevoelens van geborgenheid binnen een groep, met bouwverboden zitten wij hun verbondenheid aan een familieverband of een gebied in de weg, met wachtlijsten verstoren wij het gevoel dat er zorg voor hen is, met retentiegebieden en binnendijkse ontgrondingen bedreigen wij hen in have en goed.
Geroutineerde bestuurders herkennen bij het lezen van deze zinsneden natuurlijk direct het gevoel van "seen it, done it, been there". Dat kan abusievelijk leiden tot de acute bereidheid tot het wegschuiven van deze benadering, ware het niet dat het de kern van ons gezamenlijke probleem is.
Want dit beeld wekt niet op tot een gang naar de stembus. En dat treft ons allen!

Daarom willen wij de discussie hierover nu aangaan om een begin te maken met een benadering waarbij wij actief inspelen op de emotionele behoeften van onze burgers. Alle trends en ontwikkelingen wijzen immers al langer dan vandaag in die richting.

Maatschappelijk trends en ontwikkelingen
Er is een versnelling in tijd, een gevoel van verantwoordelijkheid te zijn voor eigen geluk, consumptisme en een wens om ondanks een sterk ontwikkeld individualisme toch bij een groep of gemeenschap te willen horen. De grote ideeƫn en klassieke ideologieƫn met hun politieke partijen hebben in onze post-moderne samenleving niet veel aanhangers meer.
Toch zijn meer burgers meer dan ooit te voren actief in non-gouvernementele en belangen organisaties als Greenpeace, de ANWB, Amnesty International of het Gelders Landschap. Maar ook in buurt- en wijkbeheer en in vele tienduizenden vrijwilligers-organisaties. Die organisaties treden in toenemende mate in de vroegere taken van politieke partijen. En dat is de nieuwe politieke betrokkenheid van de burger.

Er is sprake van een omslag van materiele producten naar dienstverlening. Die dienstverlening is niet meer gebonden aan een locatie.
Bij organisaties van bedrijfsleven, vrijwilligers of overheid, wordt de uitstraling van de organisatie belangrijker dan het werk dat gedaan wordt, het product dat geleverd wordt..
De relatie die organisaties aangaan met hun omgeving zijn doorslaggevend voor het voortbestaan van de organisatie. Samenwerking met de directe omgeving is voor organisaties essentieel. "Think global, act local" is het leidend paradigma daarvan geworden.
Organisaties blijven alleen bestaan als er het vermogen is zich te onderscheiden van andere organisaties.
Ook voor de overheid geldt dat het onderscheidend vermogen voor de kiezers, uiteindelijk de legitimiteit van de overheid bepaalt.
Dat onderscheidend vermogen is er voor de burgers niet tussen de overheden. Voor burgers is er een weinig transparante, diffuse situatie omdat verschillende overheden min of meer dezelfde taken uitvoeren alleen gescheiden door verschillende abstractieniveaus. Daarom moet er omwille van een transparante overheid met een onderscheidend vermogen naar andere overheden, een nieuwe taakverdeling plaatsvinden. Naar analogie met taakverdelingen elders in Europa denken wij daarbij aan een taakdifferentiatie naar schaalgrootte.
Die schaalgrootte moet niet traditioneel bepaald worden door de schaal van de maatschappelijke problemen waar wij als overheid voor staan. De nieuwe vorm voor die schaalgrootte moet zijn de menselijke maat, de emotionele behoeften van de burger. Wij noemen die schaalgrootte leefcirkel.

Differentiatie naar leefcirkels.
In de historie blijkt de afstand tussen wonen en werken eigenlijk nooit meer dan 1 uur te zijn geweest. De afstand die men op een dag kon afleggen bepaalde de leefcirkel. Leeftijd en vervoer bepalen de schaalgrootte van de leefcirkel. De leefcirkel zelf is de begrenzing van de fysieke menselijke maat.
Te voet, te paard, de fiets, de auto, het spoor, het vliegtuig: de leefcirkel werd steeds groter.
ICT, Internet, maken de individuele leefcirkel in virtuele zin, mondiaal.
Het is dus nodig, als zich onderscheidende overheid, op zoek te gaan naar de menselijke maat op gemeentelijk, regionaal en rijksniveau. Welke soort menselijke behoeften horen in welke leefcirkel, welke leefcirkels horen bij welke mensen, welke overheid past bij welke leefcirkels.
Deze benadering moet uiteindelijk leiden tot een onderscheidende herverdeling van taken tussen overheden.

Uitgaande van de behoefte van de burger moet op basis van "leefcirkels" gekomen worden tot een differentiatie van taken tussen overheden.

Dat is de kern van de nieuw te formuleren visie
Hierbij kan ook gedifferentieerd worden naar de schaal van gemeenten tussen dezelfde soort overheden.
Kleinere gemeenten horen zo ook minder taken te vervullen dan grotere gemeenten. Dit, omdat binnen een kleinere schaal van die gemeente mogelijk minder behoeften zich voor zullen doen. Voor provincies kan dat evenzo gelden.
De noodzaak om van kleine naar grotere gemeenten te gaan wordt dan veel minder dringend.
Mogelijk dat het functioneel kan zijn om ook een heel andere beweging te maken, die van kleinere naar grotere eenheden. Voor provincies bijvoorbeeld. Dit omdat zeker de laatste jaren wel gebleken is dat voor veel beleidsvelden de schaal van het rijk veel te groot is voor de bevrediging van emotionele behoeften van burgers.
Dat wordt al heel duidelijk op het veld van b.v. de gezondheidszorg, de infrastructuur, de kunst, de studiefinanciering, kortom van al die taken die thuishoren in kleinere leefcirkels rondom de burger.
Mogelijk niet toevallig zet het Rijk bij de opmaak van de vijfde nota Ruimtelijke Ordening in op " het benutten van specifieke regionale kwaliteiten in een veranderende context". Dat is geen voornemen tot decentralisatie, het lijkt eerder op de opmaat van het Rijk om een deel van het regionale speelveld al op voorhand op te eisen.
En daar zit de spanning tussen Rijk en de provincies als Europese regio. Er is teveel overlapping in taken, de bestuursdichtheid op vele beleidsvelden is voor de burger onbegrijpelijk hoog geworden en door internationalisering van het bestuur opereren er te veel ambtelijke diensten op een te klein geworden maatschappelijke markt. Kortom, het huis van Thorbecke barst uit zijn voegen.

Het Huis van Thorbecke
Bij de nu voorgestane benadering moet het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan het huis van Thorbecke, t.w. dat van drie bestuurslagen met open huishoudingen voor autonome besturen, worden losgelaten.
Op het huis van Thorbecke, dat traditioneel slechts drie woonlagen kent, hebben veelal buitenlandse aannemers de laatste jaren al een kant en klare nieuwe verdieping gebouwd. In december worden in Nice de laatste bouwtekeningen bij de IGC-top nog eens opnieuw bekeken.
De nieuwe bewoners die vooral uit Brussel komen, halen de oude, vertrouwde en versteende samenlevingsvorm die binnen het huis gegroeid was, nu al behoorlijk overhoop. Zij veroorzaken overlast voor de bewoners op de derde etage waar het rijk gevestigd is. Die bewoners komen steeds vaker, om rustig zelf te kunnen werken, op de tweede etage zitten, waar van oudsher de provincies huizen. Die kunnen daar steeds minder goed uit de voeten want hun bewegingsruimte is bijna geheel ingenomen door die van boven. Het moment lijkt dus daar, om nu actief te gaan praten over herverdeling van kamers en aantallen bewoners per verdieping.
De provincies moeten dat doen door op die beweging in te spelen vanuit de behoeften van de eigen burgers. Inzet bij die discussie moet niet primair de structuur van het bestuur zijn, maar de impact van een veranderende samenleving door internationalisering en de gevolgen van de snelle en volstrekt onvoorziene ontwikkeling van technische communicatiemiddelen.
Dat laatste alleen al is een nieuw feit dat heropening van de discussie rechtvaardigt.
Nooit eerder immers is er een noodzaak geweest om naar de bestuurlijke organisatie te kijken vanuit de stand en ontwikkeling van technische communicatiemiddelen. De ICT is nog nooit betrokken geweest als echt punt van overweging in bestuurlijke discussies.
Maar wel is het zo dat de ambtelijke organisaties, de departementen, die techniek al gebruiken om beleids- en beheersmatig grip te krijgen op het regionale en soms zelfs het gemeentelijke niveau.
Doen wij nu niets, dan zullen rijksambtenaren snel het gehele regionale speelveld betreden. Wij kennen hen nu al als spelers uit de Deltametropool die weinig weet hebben van leefkringen en behoeften van burgers uit gemeenten en provincies. En laten wij dat toe dan is definitief het onderscheidend vermogen tussen overheden verdwenen.

Om de burger weer een overheid te bieden met een zich onderscheidend vermogen is het essentieel dat de discussie over het Huis van Thorbecke wordt opgerakeld.
Dat is het tweede element in de visie die wij voorstaan.

ICT.
Als iets technisch mogelijk is, dan gaat het ook gebeuren. Daarom is voor de overheid de snelle groei van het gehele complex van informatie- en communicatietechnologie niet alleen een onontkoombare, maar vooral ook een maatgevende ontwikkeling voor de nabije en wat verdere toekomst.
Onlangs is er voor het college een presentatie gehouden van de ontwikkelingen naar een e-government in de USA.
Recent heeft het college besloten lid te worden van het TRN (TeleRegio'sNetwerk) in Europa en opdracht gegeven een beleidsnotitie op te stellen over de te ontwikkelen lijn van e-business, e-government, e-citizen. Inmiddels is uit een eerste vergelijking met regio's elders in Europa gebleken dat in Gelderland veel van de voorwaarden die elders nog open staan, al vervuld zijn. Er is een dicht telefoon- en tv-kabelnet, er zijn voor vrijwel elke locatie gsm-aansluitingen. Er zijn grote aantallen internetgebruikers en het gebruik groeit snel. Er zijn veel gemeenten die met succes al bezig zijn om te komen tot digitale loketten en dienstverlening en communicatie via internet.
Van het bedrijfsleven is het beeld nog niet geheel duidelijk maar de trend is ook daar aanwezig.
De opdracht om te komen tot een integrale benadering van de ICT met als doel burger, bedrijfsleven en overheid elektronisch met elkaar te verbinden zal voor het ingezette veranderingsproces binnen de provinciale diensten een centrale betekenis moeten krijgen Het moet het hele proces een belangrijke impuls geven. Het moet richting gevend zijn voor de opbouw van alle relaties met de samenleving.
Kortom, afgezet tegen de bedragen die voor andere doeleinden reeds in discussie zijn, kan met verhoudingsgewijs bescheiden middelen in Gelderland een grote stap voorwaarts worden gedaan.

Die ICT-stap moet worden gezet met als doel te komen tot een integrale en elektronische benadering van burger, bedrijfsleven en overheid.

Dit is het derde element van de visie die ons voor ogen staat.

Visievorming
De kern en beide elementen bijeenvoegend in een eerste voorzet voor een discussie komen wij tot het volgende:


Wij stellen de burger centraal in het provinciale beleid en houden rekening met de belangrijkste trends en ontwikkelingen in de samenleving.

Om ons als overheid voor de burger onderscheidend te maken kiezen wij voor een overheidshandelen dat uitgaat van leefcirkels waarbinnen burgers zich bewegen.
Die cirkels zullen voor ons het uitgangspunt zijn voor onze inzet om tot een herschikking en herverdeling van overheidstaken te komen.

Wij stellen ons daarbij op het standpunt dat Ć©Ć©n taak slechts door Ć©Ć©n overheidslaag wordt gepraktiseerd.

Wij ondersteunen onze inzet met en vanuit alle huidige en toekomstige mogelijkheden en technieken die de ICT biedt.



De strategieƫn voor de operationalisering van de ontwikkelde visie

Wij streven naar een e-regio Gelderland waar de e-burger centraal staat in het denken en doen van ons als e-overheid. Wij zijn daarbij ook een partner voor het e-bedrijfsleven.

Om die inzet te operationaliseren zullen verschillende strategieƫn in onderlinge samenhang ontwikkeld moeten worden.



Als start denken wij aan het volgende:
- een financiƫle strategie met als doel om financiƫle middelen veilig te stellen en vervolgens op te nemen in een gerichte en meerjarige investeringsstrategie.
- een ontwikkelingsstrategie gericht op het communiceren met burgers met als doel om inzicht te krijgen in hun emotionele behoeften teneinde tot ontwikkeling en aanpassing van leefcirkels te komen.
- een politiek-bestuurlijke strategie gericht op aanpassing van het huis van Thorbecke aan vier bestuurslagen met een gelijktijdige herschikking en differentiatie van overheidstaken gebaseerd op leefcirkels
- een integrale ICT-strategie gericht op een Gelderland als e-regio in Europa met binnen die e-regio een evenwichtige en samenhangende relatie tussen burger, overheid en bedrijfsleven gebaseerd op toepassing van alle beschikbare technische middelen.

Geen van deze strategieƫn behoeft vanuit de gegeven visie strijdig te zijn met reeds ingezette grote beleidsprojecten. Wel kunnen die beleidsprojecten functioneel gemaakt worden binnen de nieuw ontwikkelde visie.




Titel: *
Naam: *
E-mailadres: *
Uw reactie:
Anti-Spam protectie
Type deze code over a.u.b.:
*